DE OORSPRONG:

Hoewel de oorsprong van de tango niet geheel duidelijk is, is het wel zeker dat zij eind 19e eeuw is ontstaan aan de oevers van de Rio de la Plata, in Buenos Aires in Argentinië en Montevideo in Uruguay. Daar vermengde de dans en muziek van nakomelingen van zwarte slaven zich met die van seizoenarbeiders en immigranten uit Europa en cowboys uit Zuid-Amerika (gaucho’s), die op zoek naar werk naar de stad waren getrokken.

In de begintijd waren het vooral mannen die ‘s avonds naar zaaltjes, cafés of bordelen, of gewoon naar een hoek van twee kruisende straten gingen om te dansen. Zij werden hierbij slechts begeleid door twee muzikanten met een gitaar, fluit of viool. Niet zelden leidde een milonga tot ruzie en messentrekkerij.

Aan het begin van de 20e eeuw groeide Buenos Aires enorm en het aantal mensen dat zich tot de tango voelde aangetrokken groeide mee. Muzikale ensembles werden talrijker, net zoals de dansgelegenheden. Er kwamen heuse zalen, waar men elke avond naar een milonga kon gaan. In de gloriejaren van de tango in Buenos Aires, de jaren 1930-1950, leek het of iedere porteño aan tango deed. Het was een zeer belangrijk onderdeel van de eigen identiteit geworden. Men ging op zijn minst wekelijks een keer naar een milonga.

Omdat de tango in sommige kringen werd gezien als een ordinaire, vulgaire dans, duurde het nog tot het begin van de 20e eeuw voor de tango in Europe werd gedanst. In eerste instantie betrof het een gekuiste vorm van de tango (ballroom tango). Pas in de jaren ’70 werd de originele Argentijnse Tango populair in Europa.